Kastanjemannetjes.

Het is herfstvakantie. De kinderen zijn voor een hele week naar opa en oma. En in plaats van me energiek en vrij te voelen en alle dingen te gaan doen, die ik al zo lang had moeten doen, maar waar het steeds maar niet van kwam door halen, brengen, werk, of aanwezigheid van kleine kinderen, voel ik me moedeloos en traag. Ik kan me nergens toe zetten. De houten vloer moet in de was, de trapleuning en de drempels moeten geverfd en het verrotte kozijn aan de tuinkant moet opnieuw afgezet worden met vloeibaar hout. Maar ik doe niets. Er moeten nog artikelen en columns geschreven worden, boeken en kranten gelezen, mijn moeder gebeld. Maar in plaats daarvan staar ik zuchtend voor me. De kelderkast moet opgeruimd, net zoals de zolder en ik moet nu eindelijk eens afscheid gaan nemen van de babykleertjes, maar ik zit op de bank en kijk uit het raam. In pyjama. De krant opgevouwen naast me. Ben zelfs te beroerd om nog een kop koffie voor mezelf te maken. De overgebleven borrelnootjes, die er nog staan van gisteravond, toen er vrienden kwamen eten, eet ik dan weer wel op. Geen goed idee, snacks zijn duidelijk bedacht voor ‘s avonds. ‘s Morgens verspreiden ze een treurig gevoel in je maag en een vieze smaak in je mond. Daarbij komt, ze zijn zacht geworden, en dat is niet een goede kwaliteit voor borrelnootjes.

Buiten schijnt de zon. Het is zowaar een mooie herfstdag, zie ik nu. Ik zou naar buiten moeten gaan. Maar paddenstoelen zoeken in je eentje doe je niet, daar heb je toch echt je kinderen voor nodig. En in je up mannetjes van kastanjes maken, is al helemaal treurig. Ik bel mijn schoonmoeder, hoor haar even aan en vraag dan naar de kinderen. Maar de kinderen hebben nu even teveel lol om met mamma te praten. Ik ben nog overbodig ook! Dan maar wat werken. Ik zet mijn laptop aan. Maar voordat het lampje ook maar heeft kunnen knipperen, klap ik ‘m alweer dicht. Zo geen zin!
Ik zak nog verder onderuit in de kussens van de bank.

Maar dan hijs ik me toch omhoog, van de bank af. Hup, in de benen, roep ik tegen mezelf. Ik haal een paar keer diep adem, trek mijn pyjama uit en kleed me aan. Ik ga zowaar naar buiten. Een hele onderneming, maar buiten blijkt het fris en fijn. Het gaat gelijk een stuk beter met me. Ik fiets naar de duinen, heuvel op, heuvel af, het gaat steeds sneller. Met iedere trap van mijn pedalen word ik blijer, uitgelatener. Tot mijn grote vreugde zie ik paddenstoelen, hele bossen bij elkaar. Ik stap af. Zie dan ook overal kastanjes liggen. Voordat ik ze opraap, kijk ik nog om me heen om te zien of ik echt wel alleen ben. Dan stop ik de zakken van mijn jas helemaal vol met het harde, bruine speelgoed. Gauw fiets ik terug naar huis, wat kan het mij schelen: ik ga lekker kastanjemannetjes maken. Heb ik toch nog iets nuttigs gedaan vandaag.

This entry was posted in Diversen, Geen categorie and tagged , , , , . Bookmark the permalink.